woensdag 28 november 2012

De feesten van de Heer, deel 2 - Palmpasen


Palmpasen.



Wat was dat eigenlijk voor dag? We weten allemaal wel dat Jezus op die dag op de rug van een ezel de straten van Jeruzalem binnenreed en zijn discipelen daar blijkbaar een opstootje veroorzaakten met hun geroep. Maar hebben we ook enig idee van wat er op die dag in Jeruzalem aan de hand was op die dag?

Als we naar de Hebreeuwse kalender kijken, zien we dat deze dag 4 dagen vóór de 14e Nissan / Aviv valt.
Dit was de dag dat elke Joodse familie een Paaslam aanschafte om het 4 dagen lang in huis te houden. Maar niet alleen iedere familie deed dit, ook de hogepriester moest op die dag het volmaakte paaslam uit gaan zoeken. Hiervoor begaf hij zich met groot ceremonieel de Tempelberg af om naar Betlehem te gaan. Hij liep vanaf de Tempelberg richting het noorden en verliet de stad via de Damascuspoort en sloeg vervolgens links af om daarna in zuidelijke richting naar Betlehem te wandelen, waar de traditiegetrouw door hem persoonlijk het perfecte paaslam werd geselecteerd en mee teruggenomen naar Jeruzalem.



Nu was het niet bepaald stil in Jeruzalem rond deze tijd. Uit het hele land kwamen de mannen naar de stad om hun verplichting te vervullen. Immers: drie keer per jaar moest iedere man verschijnen voor de Heer. De stad krioelde dus van de feestgangers, die met honderdduizenden het feest kwamen vieren. Om alles in goede banen te leiden, stonden vele honderden priesters in twee rijen schouder aan schouder, met 3 meter lange palmtakken in hun handen, opgesteld langs de weg vanaf de tempelberg naar de Damascuspoort. Zo begeleidden zij de hogepriester naar de poort en stonden daar vervolgens te wachten tot deze weer terugkeerde met het geselecteerde Paaslam. Zodra hij de stadspoort naderde en de stad weer betrad, begonnen de priesters met hun palmtakken te schudden onder de uitroep (Psalm 118:26):
"Hosanna in de hoge! Gezegend hij die komt in de Naam des Heren!"


Links onderaan ziet u de oorspronkelijke poort uit 1e eeuw

Nu had Yeshua op dat moment een aantal van zijn discipelen vooruitgestuurd om een ezelsjong te halen. Daarop gezeten kwam hij vanuit de andere richting, vanaf Betanie en Betfagé, aan bij de Damascuspoort. Daar begonnen zijn discipelen te roepen: 'Hosanna, gezegend hij die komt in de naam des Heren', en met hun palmtakken te schudden. De priesters, die al een tijd op de hogepriester staan te wachten, nemen als vanzelf die roep over en beginnen ook met hun palmtakken te schudden. Op dat moment komen uit alle hoeken en gaten van Jeruzalem duizenden mensen om het spektakel van de hogepriester te zien en ook mee te schudden met hun palmbladeren, die iedereen van tevoren al klaar had liggen, en mee te roepen: 'Hosanna in de hoge! Gezegend hij die komt in de Naam des Heren!' De stad wordt één grote heksenketel (eh... verkeerde woord)! Als de priesters dan zien dat het niet de hogepriester is, maar een kerel op een ezeltje, roepen ze Yeshua toe: Laat je discipelen hun kop houden! Maar Yeshua weigert pertinent! "Nee, dat doe Ik niet! Hiervoor hebben jullie duizend jaar staan oefenen! Hier is de vervulling van wat jullie ieder jaar sinds David en Salomo hebben gedaan. Nee, Ik leg ze het zwijgen NIET op. Want als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitroepen!"

En ondertussen is de hele stad in rep en roer.

Nog vóór de hogepriester met zijn paaslam de stad binnenkomt, heeft HET Paaslam bij uitstek, Yeshua, de stad al betreden, vier dagen voor het / Hij zou worden geslacht. Elk detail van de Feesten wordt door Hem vervuld, tot op de dag, het uur, het moment nauwkeurig! Die vier dagen blijft Yeshua in Jeruzalem en wordt Hij in elk detail 'ge-inspecteerd' om te zien of er een onvolkomenheid aan Hem is. De oversten van het volk proberen hem in die vier dagen op alle mogelijke manieren in de val te lokken en Hem op een fout te betrappen. Maar ... ze vinden geen fout in Hem!

Wordt vervolgd.



zondag 25 november 2012

De Feesten van de Heer, deel 1

Het is verbijsterend hoe slecht Christenen op de hoogte zijn van de Feesten van de Heer. Nadat Constantijn de Grote slechts in naam Christen was geworden, voerde hij zijn eigen feestdagen in het christendom in. Hij bleef namelijk zijn leven lang zonaanbidder - en dan bedoel ik niet dat hij op het strand lag te zonnebaden! Hij vereerde de zonnegod, die door Nimrod in Babylon was ingevoerd in pure rebellie tegen de Schepper.

Nimrod was volgens de Bijbel de eerste heerser op aarde. Hij bouwde diverse steden en voerde daar zijn eigen godsdienst in. Volgens oude Joodse bronnen werd hij om die reden door Sem, de zoon van Noach, gedood. Die hakte zijn lichaam in stukken en zond die rond als afschrikwekkend voorbeeld.


Maar de vrouw van Nimrod, Semiramis, was niet bereid de macht zomaar op te geven. Zij beweerde dat Nimrod niet echt was gestorven, maar naar de hemel was gegaan en daar nu de zonnegod was geworden. Zij werd lang na de dood van haar man zwanger en beweerde dat de stralen van de zon haar hadden bevrucht. En zo kwam, zonder toedoen van een man, haar zoon Tammuz ter wereld. Hij werd, net als zijn vader, een groot jager. Maar op 40 jarige leeftijd werd hij bij een jachtongeval gedood door een wild zwijn. Toen enige tijd later ook zijn moeder Semiramis overleed, leek de zonnecultus ten einde.



Maar niets is minder waar! De goden weigerden haar in de hemel op te nemen en zij moest vanaf de maan in een groot ei terugkeren naar de aarde. Dit ei landde op de rivier de Eufraat en barstte open, waarna de vruchtbaarheidsgodin Ishtar - de gereincarneerde Semiramis - uit het ei tevoorschijn kwam en als bewijs van haar goddelijkheid een vogel in een eieren leggend konijn veranderde. De datum van haar terugkeer was: de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart - bij ons beter bekend als ... de Paasdatum (!). In Engeland heet die dag nog steeds: Easter; in Duitsland Ostern.



Nu neemt het verhaal een vreselijke wending. Op de dag van haar terugkeer bevruchtte de priester van Ishtar op haar altaar een maagd. Die werd zwanger en baarde rond december een kind. Als dat kind drie maanden oud was, werd het ... bij de volgende dag voor Ishtar op dat altaar geslacht, waarna  de Ishtar-eieren in het bloed van de slachtoffers werden geverfd.
Als je je afvraagt waar onze "Paastraditie" met konijnen en eieren vandaan komt.....


Constantijn nam alle data uit zijn zonnecultus gewoon mee bij zijn zogenaamde 'bekering' tot het Christendom. De geboortedag van Tammuz was, jawel, 25 december. Dit is trouwens de geboortedag van allerlei afgodische zonnezonen: in Egypte van Horus, in Griekenland van Zeus, in Rome van Mithras en ga zo maar door. Voor de geboorte van Yeshua (Jezus) staat vast, dat Hij zeker NIET op 25 december is geboren. De altijd groene boom was trouwens ook al in Babylon bekend: deze representeerde de fallus die Sem van Nimrod had afgesneden. Als teken van zijn doorgaande vruchtbaarheid werd die later vereerd, niet alleen met rechtopstaande stenen en obelisken, maar ook met altijd groene bomen, waarin de afgesneden testikels werden gehangen (leve de kerstboom!).



De Paasdatum werd door Constantijn ook weggehaald van het Feest dat de Heer had ingesteld en verplaatst naar de dag van Ishtar (Babylonie) / Beltis (Assyrie) / Astarte (Kanaan). En met het verschuiven van de Paasdatum naar de heidense kalender, verschoof ook Pinksteren / Shavuot mee, weg van de door God vastgestelde datum af.

God haat het als Zijn feesten worden vermengd met heidense afgoderij. In Ezechiel 8 komen we o.a. vrouwen tegen die Tammuz bewenen. Gedurende 40 dagen wenen zij voor hem, voor ieder jaar van zijn leven 1 dag (vers 14). Ondertussen ontzeggen zij zich de genoegens van het eten van vlees voor Tammuz. (Waar zou de vastentijd na Carnaval toch vandaan komen?) Anderen buigen in de richting van de zon (vers 16). God noemt het gedrag van de Israelieten in dit hoofdstuk een gruwel. Hij tolereert het absoluut niet als de dienst aan Hem vermengd wordt met heidendom. Zijn verbond met Israel was nog maar net gesloten, of de Israelieten vervielen al tot dit gedrag dat Hem een gruwel is: zij hileden een feest "voor Jhwh" terwijl zij het gouden kalf aanbaden met de woorden: Dit is de god die jullie uit Egypte heeft gevoerd. Voor deze vermenging van het dienen van de Ware God met heidendom zou Jhwh zijn volk hebben uitgeroeid, ware het niet dat Mozes als bemiddelaar optrad.

Het altaar waar het gouden kalf werd aanbeden vlakbij de Sinai in Saoedi-Arabie
Enkele van de gevonden inkervingen van Egyptische Hathor-stieren
op dit altaar,die verder nergens in Arabie worden aangetroffen 

Hij tolereert het evenmin als Zijn feesten worden verplaatst naar andere data. Deze zonde beging Jerobeam, omdat hij bang was dat zijn volk naar Jeruzalem zou gaan om te aanbidden. Daarom maakt hij 2 gouden kalveren, stelt niet-Levitische priesters aan en verandert de datum van de herfstfeesten van de 7e naar de 8e maand. (1 Koningen 12:25-13:6).
Het veranderen van de feestdagen van de Heer is zelfs één van de kentekenen van de antichrist: zie Daniel 7:25.

Constantijn de Grote dwong iedereen mee te doen met de nieuwe data voor de feesten. En daarmee werd hij een type van de antichrist. Wie niet op zondag naar de kerk wilde (dit gebouw is óók zijn uitvinding), maar vast bleef houden aan de sabbat, werd terechtgesteld. Dat zelfde gold voor wie de - volgens hem - Joodse feesten hield. En zo slaagde deze mini-antichrist erin de gehele christenheid te vervreemden van alle (!) feesten van de Heer en ze feest te laten vieren op de heidense zonnecultusdagen. En daarmee verkondigde hij toch een heel andere Jezus dan de Yeshua van de Schriften.



Tijd om daar verandering in te brengen! Ik zou zeggen: Terug! Terug naar de feesten van de Heer. Waarom? Omdat dit de door Hem aangewezen 'tijden' zijn, die repetities zijn voor de vervulling ervan in de toekomst! En één ding kan ik garanderen: God gaat Zijn plan NIET vervullen op afgodische feestdagen uit de zonnecultus! Yeshua heeft alle voorjaarsfeesten vervuld tot op de dag, het uur en het moment nauwkeurig. Dat geldt voor Pesach, het feest der ongezuurde broden, de eersteling op de sabbat daarvan en Shevuot (Pinksteren). Zo zal Hij ook de najaarsfeesten in de (nabije?) toekomst gaan vervullen, met dezelfde mate van nauwkeurigheid. Willen we begrijpen hoe die toekomst zal verlopen, dan moeten we ons verdiepen in juist deze feesten, die de repetities vormen voor de toekomstige vervulling, zoals de voorjaarsfeesten de repetities vormden voor hun vervulling tijdens het aardse leven van de Heer.

Wordt vervolgd

woensdag 7 november 2012

Als een dief in de nacht

"Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht. Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeen een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen. Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan de nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn." (1 Thessalonicenzen 5:1-6)

We hebben er allemaal wel een idee over hoe een dief in de nacht zich gedraagt. Maar is dat nu waar Paulus het over heeft? De uitdrukking 'als een dief in de nacht' komt in de Schrift toegepast op dienaren die hun dienst niet goed verrichten.

De Tempel was een groot complex, waar 's-nachts een behoorlijk aantal Levieten de wacht moest houden op 24 posten bij de poorten en voorhoven. Zij hadden als tempelpolitie bijvoorbeeld de taak om onreinen buiten te houden. Zij stonden onder leiding van een persoon die in het Nieuwe Testament 'hoofdman van de tempel' wordt genoemd (Hand.4:1), in de joodse traditie 'de man van de Tempelberg'.

Tijden en gelegenheden.

"Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt."
(1 Thessalonicenzen 5:1)

Hoezo niet? Zei de Here Jezus niet zelf:
"Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft." (Handelingen 1:7)
En:
"Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet ook de Zoon niet, maar de Vader alleen." (Mattheus 24:36)

Hoe kan Paulus dan schrijven dat het niet nodig is daarover te schrijven, omdat ze heel goed weten, dat de dag des Heren komt als een dief in de nacht voor wie in duisternis zijn. Niet voor de kinderen van het licht, trouwens! Die zijn wakker en waken (1 Thess.5:5,6). Blijkbaar overvalt de dag des Heren hen absoluut niet. Hoe komt dat? En wat betekenen dan de opmerkingen van de Heer zelf? Wat zijn dan de tijden en gelegenheden waarover zowel Paulus als Jezus schrijven, en waar heeft de Heer het over als Hij over de dag en het uur spreekt? Als dat voor ons niet duidelijk is, dan zijn wij er hetzelfde aan toe als de mensen die in duisternis leven. Dan zou het zomaar kunnen gebeuren dat die dag ook óns als een dief zou overvallen! We hebben licht nodig, licht van God om te begrijpen waar Paulus en Jezus over spreken.

zaterdag 3 november 2012

Tsitsiot: 'gedenkkwasten', 'schouwdraden'

Was Paulus nu tentenmaker of vervaardigde hij de 'tenten' waarin de Hebreeen zich terugtrokken in gebed? Ik geloof: het laatste. Daarbij was hij waarschijnlijk niet degene die de doeken of kledingstukken weefde, maar knoopte hij de schouwdraden die elke gelovige Hebreeer volgens de Tora aan zijn kleding moest dragen.

De instructie hiertoe is te vinden in Numeri 15:
37 De HERE nu zeide tot Mozes: 38 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen, dat zij zich gedenkkwasten maken aan de hoeken van hun klederen, van geslacht tot geslacht, en dat zij in de gedenkkwasten aan de hoeken een blauwpurperen draad verwerken. 39 Dat zal u dan tot een gedenkkwast zijn; als gij daarnaar ziet, dan zult gij al de geboden des HEREN gedenken en die volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden, 40 opdat gij gedenkt en volbrengt al mijn geboden en heilig zijt voor uw God. 41 Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb uitgeleid om u tot een God te zijn; Ik ben de HERE, uw God.

En Deuteronomium 22:12:
Gij zult u gedraaide snoeren maken aan de vier hoeken van het kleed, waarmee gij u bedekt.


Techelet tzitzit

(afbeelding: verschillende knoop-opties)

(Nog een leuke strip over de blauwe draad: http://www.tekhelet.com/abba.htm)

Voordat ik nu een uitgebreide studie aan de tzitziot ga wijden, lijkt het me handiger een link in te voegen waar alles allang is uitgezocht. Helaas een Engelse tekst, maar de tijd om die te vertalen ontbreekt me. Hier komt ook mijn idee vandaan dat Paulus als 'tentenmaker' iets anders deed dan kampeertenten in elkaar zetten. Hier komt de link:

http://www.holywordcafe.com/tours/resources/Customs_and_Traditions-TALLIT_and_TZITZIT-4-Page-Version.pdf

Wat ik hier nog aan toe wil voegen is dat de Hebreeuwse taal een prachtige taal is, omdat elk woord is opgebouwd rond wortel-woorden van 2 of 3 letters. De wortel achter het woord 'tzitzit' (gedenkkwast) vormt een woord op zichzelf, te weten: 'tzitz'. De betekenis van dit woord is 'bloesem'.




Wat heeft een bloesem in verdesnaam met een gedenkkwast te maken? Ze lijken in niets op elkaar!
Het mooie van het Hebreeuws is dat de overeenkomst niet zit in de uiterlijke verschijningsvorm, maar in het functioneren.

Hoe de tzitziot (meevoud van tzitzit) functioneren lezen we in Numeri 15, hierboven: ze dienen om
'al de geboden des HEREN (te) gedenken en die (te) volbrengen zonder uw hart of uw ogen te volgen, dat gij u daardoor tot overspel zoudt laten verleiden'

De vrucht van een leven met de ogen gericht op de tzitziot is dus: een wandel naar Gods wil.

Hetzelfde is aan de hand met bloesem: wil je vrucht krijgen, dan moet je de bloesem koesteren. Geen bloesem, geen vrucht!

Met andere woorden: geen 'geboden' (wat een akelig woord, trouwens, ik prefereer 'onderricht'), geen vrucht in je leven! Als je wilt weten waar dat onderricht toe leidt, lees dan nog eens Galaten 5. Daar staat duidelijk hoe je eraan toe bent zonder Gods woord (onvruchtbare werken), en wat voor vrucht de woorden van God geven (de vrucht van de geest).

Prachtig hoe de bloedvloeiende vrouw (Matt.9:20) de tzitzit aan Jezus' kleding aan wil raken. Wat een risico neemt ze daarmee! Als zij in de menigte wordt betrapt terwijl ze haar onreinheid op anderen over kan brengen in het gedrang, dan was de kans levensgroot dat zij gestenigd zou worden. Niet alleen haar gezondheid, maar haar hele leven stond op het spel! Maar zij geloofde Maleachi 4:2:

Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal.

Het woord 'vleugel' (kanaf) wordt in Deut.22:12 (zie boven) vertaald met 'hoek'. Er is genezing aan de hoeken van Jezus' kleed, waar de tzitziot zich bevinden. En deze vrouw weet dat én handelt ernaar, met gevaar voor haar leven! Hij is immers de 'zon' der gerechtigheid? Nou ... dat doet nogal aan zonsverering denken. Het woord dat hier in het Hebreeuws staat is 'sh-m-sh'. Dat kan op verschillende manieren gelezen worden. De masoreten, die het klinkersysteem aan de Hebreeuwse tekst toevoegden, lazen hier 'shèmèsh', zon. Maar een andere leeswijze is 'shamash', en dan betekent het: dienaar. Het geval wil dat ook de gekleurde draad in de tzitzit 'shamash' (dienaar) heet. Toeval? 

Het lijkt me geoorloofd hier 'dienaar der gerechtigheid' te lezen. Volgens mij is dit op Jezus van toepassing. Hij kwam in eerste instantie niet om te heersen, maar om te dienen, de voeten van zijn leerlingen te wassen, de minste te zijn. Zijn heerschappij gaat nog komen! Als Hij wederkeert, om zijn rechtmatige plaats op de troon van David in te nemen. 

Over die terugkeer meer in mijn volgende blogje!

Shalom, 

Kees

Gaat het om de boodschapper of om de boodschap?


Soms wordt een boodschap verworpen omdat men de boodschapper niet mag, soms omdat hij (geestelijke) familie is. Voor boodschappers geldt hetzelfde als voor profeten: een profeet is niet ge-eerd in zijn eigen stad. Als je dat gevoel hebt bij mijn persoontje, bedenk dan, dat ik alles behalve origineel ben. In 99,9% van de gevallen geef ik slechts door wat ik van anderen heb geleerd. Probeer dan ook niet te verwerpen wat ik zeg omdat IK het zeg, maar wees een Berea-hoorder: ga de Schriften na of deze dingen ook zo zijn. Je zou toch niet een parel weg willen gooien omdat die verpakt is in een stukje krant?